Kanosprint

Wat is kanosprint?

Ben je meer van de competitie dan van het tochtjes varen? Dan is kanosprint, ofwel 'hardvaren' misschien iets voor jou. Kanosprint is een Olympische discipline. Op vlak water, zonder golven of stroming, zo snel mogelijk van start naar finish in een rechte baan die is opgedeeld in diverse banen. De officiële afstanden zijn 200 meter, 500 meter en 1000 meter. In Nederland wordt gevaren in de klassen K1, K2, K4, C1 en C2. De 'K' staat voor Kajak, een gesloten kano met dubbelblad peddel. De 'C' staat voor Canoe, een open kano met een éénblad peddel. Het getal geeft aan met hoeveel personen de kano gevaren wordt. Meer informatie vind je op http://www.kanosprint.nl/.


Kanosprint bij KV Zeeburg

KV Zeeburg beschikt over een aantal boten en peddels die geschikt zijn voor hardvaren voor alle leeftijden: Eska's, K1's en K2's. Ook zijn er leden met een eigen wedstrijdboot. Dicht bij het clubhuis zijn een aantal redelijk rustige lange stukken water waar je goed kunt trainen.

Er is een actieve groep hardvaarders. Dit is een gevarieerde groep, van beginners tot medaillewinnaars. Het doel is om samen te varen en individueel beter te worden in hardvaren. We beginnen met het onder de knie krijgen van stabiliteit en snelheid, en werken toe naar onderlinge wedstrijden.

Omslaan in ons vaarwater is niet ideaal door de hoge kanten en rommel op de bodem. Redden kan niet met de hardvaar-boten. Daarom werken we eerst aan stabiliteit en dan aan snelheid. Als je nog niet stabiel bent, begin je in een tweepersoonsboot (K2), samen met een ervaren vaarder. Anderen moeten in principe 3 kilometer kunnen varen zonder omslaan. Om te kunnen meedoen, moet je dus een minimum niveau hebben of leervermogen om stabiel te worden. Je kunt altijd contact opnemen met het bestuur om te kijken of je mee kunt doen. Het uitgangspunt is om van elkaar te leren, elkaar te helpen en elkaar uit te dagen.

Hoe vaar ik hard(er)?

Om hard(er) te varen heb je in elk geval spierkracht, stabiliteit en slagtechniek nodig. Een aantal tips:


Spierkracht

Een kano wordt door spierkracht voorgedreven. Zonder “sterke spieren” geen snelheid. De makkelijkste training is iedere dag 25 push ups en 25 sit ups om armen en buik/rug te trainen (en dan liefst kruiselingse buikspieren bij de sit ups door om en om met een schouder eerst omhoog te komen richting tegenovergestelde knie).


Stabiliteit

1. Het type kano beïnvloedt de stabiliteit:

- smal, ovaal en lang: onstabiel. Ook binnen K1 verschillende niveaus

- breed, plat en kort: stabiel


2. Bij een meerpersoons kano:

- niet iedereen wankelt tegelijk naar dezelfde kant,

- de een houdt de ander recht, afhankelijk van gewichtsverschil


3. Let op de heupen:

- het bovenlichaam moet recht boven laterale kantelpunt blijven

- schommelingen vang je op met de heupen


4. Je peddel helpt bij stabiliteit:

- steunen, bv lage steun. In K1 links een lage steun voor rechts-handigen ivm starten

- tijdens de slag: met een goede peddelreflex kun je tijdens de voorwaartse slag balans vinden door de peddel tijdens de slag iets omhoog te trekken of omlaag te duwen. Bij een linkerslag kun je dan corrigeren respectievelijk voor een val naar rechts (bij trekken links) of val naar rechts (bij duwen links)

- freak noodslag: een plotselinge reflex slag in welke richting dan ook om onbalans op te vangen


5. Stel je voetensteun goed af voor contact met de boot


Slagtechniek

1. De voorwaartse slag is balans tussen fysica en ergonomie. Idealiter gaat je peddel rechtstandig vlak naast de boot en parallel daarmee naar achteren. Dit is niet te doen als je lichaam op 1 plaats vast zit (op het zitje). Daarom breng je het blad tijdens de slag naar buiten. Betekent ook dat ieder lichaam een eigen balans moet zoeken, volgens eigen ergonomie/lichaamsbouw. Een voorwaartse slag heeft een handtekening.


2. Instellingen

- lengte van de peddel moet passen bij je trekkracht (proefondervindelijk)

- voetensteuntje moet “fietsen” mogelijk maken, dus net kunnen strekken

- rechtop zitten zodat je bovenlichaam goed kan draaien.

- het gaat om coördinatie van de bewegingen: op het juiste moment met de juiste intensiteit


3. Stand van de peddel:

- niet vlak boven de knieën, maar op schouderhoogte houden. Anders maak je vooral boogslagen die je in een bocht brengen, maar nauwelijks voorwaarts.

- vlak voor je middel mag de peddel er al weer uit, want dan trek je vooral je boot dieper het water in

- zo ver mogelijk voor insteken, arm strekken. Kleine splash

- Peddelblad zo gedraaid dat het gemiddelde van het blad naar achteren wijst


4. Slag

- eerst het blad helemaal in het water, dan pas maar ook onmiddellijk trekken, om bubbelvorming resp. remmen te voorkomen

- je begint te trekken aan de peddel door je voet (aan de kant van je slag) vooruit te duwen, dus je been te strekken. Je trapt jezelf zo naar voren. Als je dat bij iedere slag doet ben je aan het fietsen met je benen

- direct aansluitend draai je je torso, zodat de arm die voor is naar achter wordt getrokken via je rugspieren. Dit is een versnellende beweging

- je trekt jezelf aan je peddel naar voren, vrijwel zonder je armen te buigen. Je armen, de peddel en je bovenlichaam vormen een vast vierkant, waardoor de voorste arm net zo snel naar achteren komt als je achterste arm naar voren

- Je trekt daardoor de peddel iets naar buiten zodat je bovenste blad goed in positie komt voor de volgende slag, ongeveer op het midden van de boot

- Zodra je je torso niet verder kunt draaien haal je de peddel er weer uit door je pols naar boven te draaien. Als het goed gaat hoor je weinig geklater van het water

- Het achterste blad wordt er eerst helemaal uitgehaald en op schouderhoogte gebracht, voordat je het voorste blad in steekt. Dat geeft ook een rustmoment in de slag. Waardoor je in de nieuwe slag het voorste blad krachtig kan insteken

- De ellebogen blijven ten alle tijden onder schouderhoogte, voor stabiliteit, maar vooral ook om blessures te voorkomen.